Vanmiddag vond ik een half afgemaakte blog terug. Geschreven op 27 januari. Als ik toen eens had geweten wat de maanden daarna zouden brengen...
Het was winter
In mijn “onaffe” blog lees ik dit terug:
Ik koos ervoor om toch te gaan wandelen. Het was waterkoud. Op de fiets droeg ik mijn bivakmuts (boevenmuts, haha) met daarover nog een gewone muts. Alles om die vervelende voorhoofdspijn maar voor te zijn.
Onderweg naar het bos besloot ik naar het meertje te gaan. Misschien was het bevroren. Dat vond ik vorig jaar zo mooi. Maar toen ik aankwam, was het meertje weg. Huil, huil. Alleen in het midden lag nog een smalle strook water met ijs erop. Daaromheen: natuurgraven. Het stukje bos was veranderd in een natuurbegraafplaats. Een prachtige plek. Maar ik moest wel even schakelen.
Dus liep ik gauw weg een ander stuk bos in met mijn hoofd vol gedachten over mijn eigen mensjes die ergens anders liggen begraven... Hoe lang was ik er al niet geweest. Ik voelde me schuldig. Ik zou...
Bibberkoud wandelde ik richting de Elsterkop. Ik wilde maar één ding: koffie onder mijn boom. Toen ik daar zat, haalde ik een paar keer diep adem en probeerde de sombere schuld-gedachten van me af te schudden. Ik tuurde naar de jonge berken langs de rand van de hei die zacht heen en weer bewogen in de wind.
Als je stilzit op een boomstronk krijg je het kouder, nog kouder, koudst. Gelukkig warmde de koffie me van binnen op. En om mezelf wat op te vrolijken, soort van, opende ik het dagboekstukje van die dag op mijn telefoon.[1] Het ging over Jesaja 42:
“Een geknakt riet zal Hij niet verbreken, en een smeulende vlaspit zal Hij niet uitblussen.”
Alistair Begg schrijft dat Jezus juist mensen opraapt die door anderen zijn afgeschreven. Dat Hij een smeulende pit niet uitblaast, maar opnieuw laat opvlammen. En dat we allemaal, op de een of andere manier, geknakte rietstengels en smeulende lonten zijn.
Jezus is zachtmoedig, teder en vriendelijk. Mensen die door anderen worden afgeschreven, wil Hij juist gebruiken.
Misschien denk je dat je beste tijd achter je ligt. Dat je nog maar een zwak vlammetje bent. Maar Jezus blaast zo'n smeulende pit niet uit. Hij wakkert haar juist weer aan.
We zijn uiteindelijk allemaal geknakte rietstengels en smeulende vlaspitten. Juist als we dat erkennen, leren we Zijn zachtheid kennen.
Nu is het juli.
Ik kijk vanuit mijn schrijfkamer uit over de daken heen. Een merel zingt. Wolken drijven voorbij. En ik lees die onaffe blog terug.
Op 27 januari wist ik nog niet dat ik in maart mijn memoir zou loslaten... en dat ik daar toch om zou rouwen. Ook wist ik niet dat mijn schoonmoeder een paar maanden later, na een kort ziekbed, zou overlijden. Ik had geen flauw idee welke deuren dicht zouden gaan en welke open.
Zo blij dat we maar één seizoen tegelijk hoeven te leven. Dit is vandaag. En je hoeft maar één ding te doen: er zijn
Terugkijkend raakt niet eens de wandeling me het meest, maar dat ene zinnetje:
“Een smeulende vlaspit zal Hij niet uitblussen.”
Dat ik dat las op 27 januari. En dat het me nu, in een tijd van rouw, opnieuw de dag door helpt.


Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Ik ben heel blij met je reactie! Dank je wel.